vrijdag 28 oktober 2016

Van ARM VLAANDEREN tot HARD LABEUR





In mijn kast van Vlaamse literatuur van vóór de Tweede Wereldoorlog prijkt naast de klassieke auteurs als Willem Elsschot, Cyriel Buysse, Jean Ray, Stijn Streuvels en de andere usual suspects welgeteld één roman van een in de geschiedenis verdwaalde auteur. Dat is niet vreemd. Reimond Stijns (1850-1905) was in de jaren 1960 al vergeten. Hij krijgt geen regel in de Moderne encyclopedie van de wereldliteratuur (1963). 

Biografieën worden niet alleen geschreven en uitgegeven om doden weer op te graven, maar zijn tevens een aansporing om hun werken af te stoffen en de herinnering te verfrissen. Dat is wat biograaf De Pessemier ’s Gravendries met zijn speurwerk dat leidde tot Reimond Stijns; Van ‘Arm Vlaanderen’ tot ‘Hard Labeur’ heeft gedaan.
Wat heet ‘dringend?’ En toch is een bespreking almaar uitgesteld. Waarvoor mijn excuses, en daarom, om te beginnen een flinke lichtbundel om de lezer bij de les te houden. Een tweede reden voor de sterke spot is dat Reimond Stijns sterke adelbrieven had: de biograaf citeert in zijn boek Louis Paul Boon. Voor Boon betekende het proza van Stijns ‘het mooiste, het gaafste dat de naturalistische periode in onze literatuur heeft voortgebracht.’ 





Van Vlaamse bodem
De oorspronkelijke uitgave van de eerste druk van Hard Labeur, Reimond Stijns’ laatste roman, was verzorgd: met een harde kaft en een grafische illustratie van de hand van Herman Teirlinck. Mijn exemplaar – gekocht op een boekenmarkt – is dat veel minder. De roman verscheen oorspronkelijk in 1904, maar werd heruitgegeven tijdens de Tweede Wereldoorlog in de reeks Volksuitgaven door Snoeck Ducaju. De Gentse uitgeverij-drukkerij verdiende tijdens de Tweede Wereldoorlog een fortuin aan die reeks. De druk was primitief, het papier was van barslechte kwaliteit en de grafische verzorging zo goed als onbestaande. Maar dat hield de kostprijs zeer laag. Bovendien boden die ‘volksboeken’ de lezers routes om te ontsnappen aan de miserie van de bezetting. Ook dankzij de lage verkoopprijs liep de oplage niet zelden op tot 10 à 15.000 exemplaren. De verkoop verminderde echter al tijdens het Ardennenoffensief in 1944. Het volk zocht elders vertier. Toen de televisie verscheen en vanaf 1955 programma’s als Schipper naast Mathilde werden gemaakt, kalfde de oplage verder af. En sinds soaps dagelijkse kost zijn, is het helemaal afgelopen met de volksverhalen in boekvorm, geteeld in Vlaamse bodem. 

As en stof in het gras
Hard Labeur ‘is het verhaal’, volgens de biograaf, ‘van een primitief Vlaanderen op het eind van de negentiende eeuw. Het is een beeld van huishoudelijk geweld, van dierlijke laagheid, van ongevoeligheid voor wat dan ook. […] De meest aangrijpende gebeurtenis in de roman is het moment waarop Steeltje [het hoofdpersonage, red.] zijn twaalfjarige Wannie doodslaat omdat hij één frank had gestolen om wat snoepgoed te kunnen kopen, iets dat het kind in zijn hele leven nog nooit had mogen proeven.’
De roman is inhoudelijk van een ongekende ruwheid. Zelfs de romans en verhalen van Boon en Buysse kunnen er niet aan tippen. Maar ook de schrijfstijl is rauw, zoals trouwens alle andere werken van Reimond Stijns. En dat stond de elite van de Vlaamse literatuur niet aan. Het verhaal mocht vol bloed en wonden zitten, getuigen van een dierlijke menselijkheid, maar de stijl moest verzorgd zijn, een zekere adelheid uitstralen. Daarom kreeg de auteur tijdens zijn leven niet de erkenning die hij verdiende.
Er is nog een reden waarom Stijns’ literair werk as en stof in het gras is. Auteurs, zelfs beroemde, komen en gaan na hun dood. Onsterfelijkheid is relatief. Wereldberoemde auteurs zijn slechts onsterfelijk door de inzet van een uitgever, een biograaf, een genootschap … Het bekendste in Vlaanderen is het Willem Elsschot Genootschap (WEG). Van de overige genootschappen zijn die van Jean Ray, Paul van Ostaijen en Cyriel Buysse actief, helaas in beperkte kring. Ze missen de boot van het succes door een gebrek aan stuwende kracht. Tegenwoordig moet een auteur het vooral hebben van iemand die in een oude roman een film of een televisieserie ziet. Helaas, een verrijzenis op de buis brengt niet automatisch mee dat de boeken weer uitgegeven en verkocht worden. Hooguit levert het de auteur – meestal zijn erfgenamen – dankzij het auteursrecht wat centen op. Maar dit was niet het geval bij Reimond Stijns. Hard Labeur werd in 1985 verfilmd in opdracht van de VARA en de toenmalige BRT - met in de hoofdrollen Jo De Meyere en Chris Lomme, en in zeven delen nog datzelfde jaar uitgezonden. Reimond Stijns stierf in 1905. Het auteursrecht geldt bij wet tot zeventig jaar na de dood van de schepper. Een eenvoudige optelsom toont aan dat er voor de verfilming geen cent moest worden betaald aan de nakomelingen. 



Gelukkige jeugd 
De verfilming van Hard Labeur bewijst dat Reimond Stijns – nochtans een autodidact – een uit het leven gegrepen verhaal kon schrijven. Al zijn niet al zijn boeken loepzuiver. Er zijn slechts weinig autodidacten die in al hun werken een hoog niveau aanhouden. Maar een analfabeet was Stijns zeker niet. Henri Stijns, Reimonds vader, was onderwijzer van een gemeenteschool in Mullem. Honderd jaar geleden was dat een zelfstandige gemeente, nu is ze een deelgemeente van Oudenaarde. De zoon heeft dus waarschijnlijk naast de dagelijkse lessen extra geestelijke voeding gekregen. Maar veel betekende dat indertijd niet. Het dorpsleven bepaalde in die kringen de wijsheid. Uit zijn literaire werk kunnen we afleiden dat Stijns een afkeer had van clerus en godsdienst en dat die hem voor het leven getekend heeft. De oorzaak ligt voor de hand. Volgens de pastoor mochten de kinderen van zijn parochianen niet in een goddeloze omgeving worden opgevoed. Het was dus knokken in de familie Stijns om in Mullem op moreel vlak te overleven. Toch kende Reimond Stijns een gelukkige jeugd. Die had hij te danken aan zijn vader, een man met passie voor zijn vak. Zijn reputatie snelde hem vooruit, waardoor hij leerlingen aantrok uit de belendende gemeenten. De bekendste was toondichter François Gevaert, ‘in zijn tijd letterlijk wereldberoemd en overigens in 1907 door koning Leopold II verheven tot baron,’ volgens Stijns’ biograaf.
De vaderliefde en de herinneringen aan zijn gouden jeugd in de Vlaamse Ardennen zijn terug te vinden in al de boeken van Stijns. Je zou kunnen denken dat hij zijn streek nooit verlaten heeft. Maar dat deed hij wel. Toen hij zestien werd, trok hij naar de Bisschoppelijke Normaalschool van Sint-Niklaas. Als intern, door de afstand tot zijn woonplaats. Hij was een voortreffelijke leerling, maar niet geliefd bij de priester-leraars. Het pestgedrag kwam dus van ‘hogerhand’. Hun houding belastte de jonge Stijns. Dag en nacht werd hij geplaagd door heimwee naar het vaderhuis. Ook de leerstof die de leerlingen kregen voorgeschoteld, stoorde hem danig. De studie, volgens zijn eerste roman Arm Vlaanderen, ‘ging er volgens de regels [aan] toe – een echte fabriek! De boeken die men vanbuiten moest leeren, werden aangewezen. Wee hem, die een ander boek lezen durfde! Wetenschap – zoo noemden de zorgende vaders het – werd er ingepompt tussen bidden en prevelen: woorden, altijd woorden, niets dan woorden!’ 

Salut sans merci
Na de hel van Sint-Niklaas werd Bevere bij Oudenaarde de volgende standplaats van Reimond Stijns. Vanaf oktober 1869 was hij er hulponderwijzer aan de gemeenteschool. Een jaar later werd hij in dezelfde functie aangesteld in de school van zijn vader. Zijn hele carrière als leraar maakte hij geen onderscheid tussen de kinderen van welgestelde middens en die van de minderbedeelden en dat pleit voor hem. Bovendien gaf hij graag les. Het pestgedrag van de clerus in Mullem maakte echter dat Stijns na een paar jaar opstapte en naar Brussel trok. Daar was de geestelijke sfeer toleranter en liberaler. Bij zijn overstap speelde ook mee dat onderwijzers in de hoofdstad beter betaald werden. Hij solliciteerde voor de plaats van hulponderwijzer bij het gemeentebestuur van Molenbeek en werd benoemd omdat, volgens Paul de Pessemier ’s Gravendries, ‘Stijns’ manier van lesgeven door de examinatoren werd geëvalueerd als de meest adequate, en zijn Vlaams was onberispelijk.’ Op 5 november 1872 kon hij aan de slag. Kort daarna leerde hij de 23-jarige Marie van Nieuwenhove kennen, een knappe verschijning en vlak voor hem benoemd als onderwijzeres huishoudkunde. Ze trouwden in augustus 1874.
In het Brusselse liberale milieu leerde Stijns Isidoor Teirlinck kennen, de vader van Herman. De verstandhouding was zo goed dat ze samen gedichten en verhalen schreven. ‘En zo ontstond’, volgens de biograaf, “de Firma Teirlinck-Stijns”, naar het voorbeeld van de Elzassers Erckman-Chatrian en de Gebroeders Goncourt.’ Dat de naam Teirlinck vooraan stond, was niet toevallig. Volgens de in de biografie geciteerde Karel Wauters ‘kon Stijns wel verhaaltjes verzinnen, maar zijn taal en stijl schoten schromelijk tekort. […] Bovendien kende hij in Brussel de weg niet om werk gepubliceerd te krijgen. Hij had dus hulp nodig en kreeg die van Teirlinck, die eveneens was behept met een meer dan alledaagse literaire ambitie, en wél wist hoe binnen te geraken in de diverse hoofdstedelijke verenigingen en kringen.’ 

Doorbijter
Kortom, Isidoor Teirlinck introduceerde Stijns in de inner circle van het Brusselse liberale milieu. Nadat hij zich had ingezet bij allerlei cultureel veldwerk volgde de bekroning in de vorm van een opname in een Brusselse loge. Dat was ook Stijns’ streven. Hij hoopte dat zijn vrijmetselaarschap zijn onderwijscarrière sneller hogerop kon brengen. Hij vond zichzelf ten zeerste geschikt als directeur van een school, liefst van middelbaar niveau. Zo’n vaart liep het echter niet. Hij werd vaak gepasseerd. ‘Een gevoel van treurnis en gemis’ overviel hem, zo getuigt de biograaf. Toch bleef Stijns koppig doorbijten. Als lesgever, lobbyist en als schrijver. En dat leverde soms een sterke roman op. Een hoogtepunt bereikte hij met In de Ton uit 1891. De biograaf citeert Nestor de Tière. Die getuigt in 1908: ‘Naar ons inzien, is Hard Labeur, hoe forsch en triomfantelijk getuigend van Stijns talent, niet zijn meesterwerk: zijn meesterwerk is In de Ton. Dit is een gewrocht vol levenswaarheid; een boeiende karakterontleding van ’t begin tot het einde; vol zielsactie, niet één stond verzwakkend.’
De kwaliteit van Stijns’ literaire werk was echter zo wisselend dat hij tweederangs bleef in het milieu. Een enkele keer werd hij matig geprezen, maar meestal moest hij het stellen met een schouderklopje van vrienden. En dat zou zo blijven tot aan zijn dood. Hij sukkelde al enkele jaren met zijn gezondheid. Niemand is verantwoordelijk, maar iedereen wordt geraakt in zijn zwakste punt. Bij Stijns was het door de miskenning als auteur zijn lever. Hij ‘overleed’, zo schrijft de biograaf, ‘de twaalfde december [1905, red.] “om acht uren ’s avonds in zijne woning, Hovenierstraat 49 in deze gemeente [Molenbeek, red.]”, vermeldt zijn overlijdensakte. […] En de biograaf vult aan: ‘Kort na zijn afreis naar het “Eeuwig Oosten” werd Reimond Stijns door al zijn broeders herdacht en geëerd tijdens een plechtige rouwloge. En bij de eerstkomende meesterverheffing binnen zijn werkplaats nam de nieuwe, pas verheven meester Stijns’ plaats binnen de universele Broederketen.’
Herman Teirlinck, zoon van Isidoor, bleek door de miskenning nog het meest geraakt en werd mogelijk ook geplaagd door wroeging. Een fragment uit zijn lofrede bij de baar, omringd door logebroeders, wijst in die richting: ‘Reimond Stijns heeft tienwerf beleefd elke stonde van zijn leven, tienwerf genietend elken polsslag van zijn luchtig bloed. Niet angstig joed zijn snelle adem, maar hijgend van vrije welvaart, zenuwachtig van blijde verwachting, koortsig van nakende joel. … Dées kind was een kunstenaar en won, langs zijne baan, den nijd en de haat van de lage bijzichtige wereld.’ 

Reimond Stijns 

Taai leesvoer
Ik heb in bovenstaande tekst rijkelijk citaten uit de biografie geplukt. De lezing is echter harde kost. Het boek gaat helaas maar ten dele in op de plaats die Stijns als schrijver bekleedde. De lezer krijgt ook geen antwoord op de vraag of hij tijdens de sociale en maatschappelijke omwentelingen van het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de rijke Vlaamse literatuur. Bovendien loopt de schrijfstijl van de biograaf achter – goed leesbaar in de jaren 1950 maar saai in de 21e eeuw – en telt het werk heel wat zetfouten. De biograaf valt wel te prijzen omdat hij een dode auteur gebalsemd en geschminkt heeft. Toch had ook dat beter gekund. Reimond Stijns was misschien geen epigoon van Cyriel Buysse, maar zijn literaire werk heeft wel dezelfde bewogenheid. En dat kan niet gezegd worden van heiligverklaarde auteurs als Gerard Walschap, Ernest Claes en Felix Timmermans. Reimond Stijns’ werk staat, wat humaan engagement betreft, op gelijke hoogte met dat van André Baillon en Richard Minne. 

guido lauwaert
gent, 2016-10-28  

Paul de Pessemier ’s Gravendries, Reimond Stijns; Van ‘Arm Vlaanderen’ tot ‘Hard Labeur’, Antwerpen / Rotterdam: Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, 2015, 267 pp., ISBN 978-90-5927-448-8


Geen opmerkingen:

Een reactie posten