vrijdag 29 september 2017

HERMAN BRUSSELMANS

[foto Filip Claus] 

Hij schreef te weinig boeken 

Toen ik vanochtend het deurtje van mijn brievenbus opentrok schrok ik. Een of andere koerier – waarschijnlijk een afstammeling van Michael Strogoff, de koerier van de tsaar – had een pakje met geweld er in geramd.
Nadat ik met behulp van drie buurmeisjes het pakje uit de gleuf had verlost bleek het de 75ste roman van Herman Brusselmans te zijn met de kurkdroge titel Hij schreef te weinig boeken. 




Een passender titel ware geweest Hij schreef te dikke boeken, want mijn brievenbus was zwaar beschadigd. 832 bladzijden, verpakt in een harde kaft. Als ik er met 832 euro vanaf kom om mijn brievenbus te laten herstellen zal ik mij gelukkig mogen prijzen. De drie buurmeisjes, studentes Verpleegkunde, wilden meteen beginnen te lezen maar ik moest ze teleurstellen. Vandaag ga ik, zei ik, naar mijn zuster in Mechelen. Ze woont daar omdat ze daar geboren is en ik woon daar niet omdat ik er geboren ben, zo simpel is het. Ik ga de trein nemen, zei ik tegen de verpleegsters in wording, en dan moet je wat te lezen hebben. Ze waren zwaar teleurgesteld. Ik troostte ze met een vluggertje in driekwartsmaat. Daar waren ze zeer tevreden over en ze wilden dat ik dit deuntje nogmaals speelde, helaas, geen tijd, dames, geen tijd. Mijn trein weet je. Op weg naar het station had ik niets anders te doen dan mijn ene voet voor de andere te zetten en aan mijn uitstap naar het toeristenoord en tegelijk de meest rechtse stad van het land, na Antwerpen, te denken, en natuurlijk aan Herman Brusselmans en zijn nieuwe roman. Ik keek er naar uit om hem te lezen in de trein. Het was geen speciale trein, maar er hing wel een speciale wagon aan. Door de opbrengst van het schrijven van gelegenheidsgedichten voor koude huwelijken, blijde geboorten en vooral gelukkige begrafenissen heb ik de treinwagon van Adolf Hitler kunnen kopen. Hij was nog in goede staat - niet Hitler maar de treinwagon, uiteraard - en elke keer dat ik op familiebezoek ga naar Mechelen met zijn Sint-Romboutstoren en zijn kerk - de schoonste kathedraal van het land, Malinois - met de lelijkste voetbaltruitjes van Europa, en zijn Dossinkazerne, bel ik de avond voordien - verduiveld, ik moet toch af en toe eens een punt zetten, maar Jezus op een mountainbike, wie zet er nu een punt, die zet je toch alleen maar als het punt einde verhaal is - de avond voordien dus bel ik zoals gezegd en geschreven naar de stationschef van Gent-Sint-Pieters en vraag ik, Pieter, hoe gaat het met Paulus? ... Slecht... Prachtig... maar waarover ik je eigenlijk bel, hoe laat rijdt er rond negen uur een trein naar Mechelen, en dan antwoordt hij, om negen uur precies, en dan zeg ik, hang mijn wagon er maar achter aan Pieter, om tien voor negen zal ik met mijn Triumph Street Triple 675 R komen aangereden langs de noodingang die ook dienst doet als nooduitgang. Pieter is een volvette kerel die me wel bevalt. Ik zal u vertellen waarom. Hij heeft alle boeken van Herman Brusselmans driemaal voorgelezen aan zijn blinde moeder. Driemaal ja, want naast blind is zij half doof en begrijpt zij pas bij de derde lezing, zelfs met een feilloze dictie, waar de roman over gaat. 

Toen ik mijn helm van het hoofd nam en op plechtige wijze, alsof het een ei van Fabergé was, aan de onderstation-chef schonk voor een dag, zag ik de conservator van het Emile Verhaeren Museum naderbij komen, Rik Hemmerijckx. Hij heeft lange vettige haren omdat hij ze wast met Una Ultra, een afwasmiddel dat ze in de Aldi verkopen. Droogt supersnel, staat er op het etiket en dat zal de reden zijn waarom hij er zijn haren  mee wast. Hij staat altijd te laat op, moet rennen om de trein te halen. Bezweet arriveert hij dan op het perron, zoals vanochtend. Vettige haren en zweet, ik kan er niet tegen, maar ik bleef vriendelijk, Rik is een oude kameraad en een beminnelijk man, dus nodigde ik hem uit om plaats te nemen in mijn wagon, want kijk, Rik, zei ik, in mijn wagon is er een douche met een dampkap made in Germany en shampoo van de Delhaize voor beschadigd haar, en als je wat fatsoenlijker bent wil ik het met jou hebben over de nieuwe roman van Herman Brusselmans, zijn 75ste, met de kurkdroge titel Hij schreef te weinig boeken. Ter hoogte van Wetteren verscheen hij, kurkdroog. Ik had intussen al vier hoofdstukken gelezen dus ik wist zeer goed dat de roman aan hetzelfde tempo en op identieke kabbeltoon als in zijn vorige boeken over niks in het bijzonder maar tegelijk over alles ging wat er dag na dag en nacht op nacht gebeurt in het leven van een kurk. Rik met de onmogelijke familienaam Hemmerijckx zei dat hij een nuchter man was en daarom geen enkel boek van Griet Op de Beeck gelezen had. Brusselmans! verbeterde ik hem. Wie leest er nu boeken van Griet Op de Beeck, die zwarte madam met een ziekelijke fantasterij. Brusselmans, Herman, afkomstig uit een geslacht van vleeshandelaars, net als Tom Lanoye. Daarom dat ze ze zulke dikke vrienden zijn. Ik zag dat Rik zijn nikkel viel. Dertig jaar al had hij zich afgevraagd waarom die twee vrienden voor het leven waren, en door een bijkomstigheid van mij begreep hij het eindelijk. In de treinwagon waar Adolf Hitler nog had gesnurkt en elke ochtend zijn barbier de droge snot uit zijn snor had moeten verwijderen. Zoiets blijft een mens toch bij voor de rest van zijn leven. Eenmaal alleen met mezelf las ik verder in de roman van je weet wel wie. Ter hoogte van Kappele-op-den-Bosch sms-te ik naar de treinbestuurder de volgende boodschap: Stop in Mechelen, laat de brave mensen uitstappen, spoor dan naar Leuven, want door kameraad Rik Langhaar zal ik pas bij de terugrit de helft van het boek gelezen hebben. Dat sms-te ik en de treinbestuurder voldeed aan mijn verzoek. 

Ik arriveerde dan wel later dan gepland bij mijn zuster en toch niet te laat voor het middageten. Een gegratineerde schotel van bloemkool, aardappelen met kaassaus en worst van kippenvlees, zei ze fier als een gieter uit de Gamma, toen ze de hete schotel uit de oven haalde en op de tafel zette. Alles eigen kweek van mijn man! Wat, riep ik uit, heeft hij zijn kippen tot worst verwerkt? Dat is tenminste gezond vlees, zei ze en deed teken mijn bord naderbij te schuiven zodat ze niet morste op de dweil dat als tafelkleed diende. Eerlijk gezegd kon me dat niet schelen. Ik moet eten wat er op mijn bord geschept wordt, niet wat er op de tafel beland. Haar man at mee, we zaten met drie aan tafel. Drie is een raar aantal maar beter dan met dertien aan tafel. Drie, dat is dertien min tien. Ik vertelde aan mijn zuster, en haar man mocht het ook weten, hij zat nu eenmaal mee aan tafel en hij heeft last van versleten knieën maar is niet doof, dat ik halverwege de nieuwe roman van Herman Brusselmans zat – voor de lezer die te laat is binnengekomen, de roman heet Hij schreef te weinig boeken – een roman van 832 bladzijden. Wat! riep mijn zuster uit. Heb jij 416 bladzijden gelezen tussen Gent en Mechelen? Ik zei haar niet dat we tot Leuven gereden waren. We zijn namelijk niet in de Stellastad uitgestapt. Meteen teruggekeerd. Wat ik wel zei aan mijn zuster was dat ik een snellezer ben, ja zelfs een LGV, un Lecteur Grande Vitesse, wegens de kunst diagonaal te kunnen lezen en toch de draad van het verhaal niet kwijt te raken. Nu zit er weinig verhaal en nog minder draad in een roman van Brusselmans. Dat is zo en toch, toch is hij een knap schrijver, om de simpele reden dat hij een veellezer is, een kenner van de expressionisten en niet alleen veel eersterangs, tweederangs maar zelfs een duizendtal derderangs films heeft gezien, terwijl hij frieten bakt in een ketel die op een aantal opeenvolgende nummers van Knack staat om geen vettige plekken op zijn formicatafel te maken. De formicatafel heeft zijn moeder nog gekocht in de grote meubelwinkel Meurop, gelegen halverwege de Paleizenstraat van Schaarbeek. 

Na het eten ruimde de man van mijn zuster op, mijn zuster zette koffie. Het was gezellig en toch niet helemaal want ze had geen taart gebakken, en ik, als kleinzoon van een bakker moet ’s middags een halve taart hebben bij de koffie of ik drink nooit thee. Lichtelijk verstoord vroeg ik of de zeven zusters Van Mossevelde al gescheiden waren. Nee, antwoordde mijn zuster, en dat gaf mijn humeur een tweede duik. Prachtvrouwen zijn het. Dat wist ik al toen ze school liepen bij de Ursulinen en ik liep achter ze aan. Ze zijn gretver alle zeven met de verkeerde mannen getrouwd. Hun leven zou er heel anders hebben uitgezien als ze alle zeven met mij getrouwd zouden zijn geweest. Mijn schoonbroer bood me een schouder aan om op uit te huilen, wat ik dan ook deed. Na de laatste traan vroeg mijn zuster waarom ik van de romans van Herman Brusselmans hield. Ik wees naar mijn kopje, met een wolkje melk alstublieft, geen suiker, nee. Goed, zei mijn zuster, je krijgt een tweede kopje koffie, op voorwaarde dat je me nu eens eindelijk vertelt waarom je van de romans van Hermans Brusselman, pardon, Herman Brusselmans houdt. Omdat, stak ik van wal, na een slok of twee, al kunnen het er ook drie geweest zijn, omdat onder de meanderende taal een cinema-scopische mélange in technicolor van romantiek, relativering, banale droefenis schuil gaat, hij vernuftig speelt met vals seksisme, op heerlijke wijze een vliegenmeppers kunstinzicht etaleert, een humor zonder kunstgebit of prostaatkanker heeft, een klank- en lichtspel aan non-items geeft, zijn kwetsbaarheid verschuilt onder een lucht van broccoli, bieten en spruiten, beelden kan scheppen die niet verijsd zijn in de tijd, de letterlijke en de figuurlijke betekenis van een woord tegen elkaar uitspeelt en zijn klassieken kent van lang voor hij een Ikeabank had. Daarenboven rekent hij de dichter en toneelvertaler Hugues C. Pernath tot de Vlaamse literaire genieën van de tweede helft van de twintigste eeuw. In zijn nieuwste boek, mocht je de titel vergeten zijn, geliefde zuster en iets minder geliefde lezer, want ik ken u niet, dat begrijp je toch wel, hoop ik, de titel luidt Hij schreef te weinig boeken, weet Herman Brusselmans die mélange op schoenen met naaldhakken te laten lopen zonder eenmaal een voet om te slaan, al loopt hij bij momenten op een kasseiweg die het best te vergelijken valt met die van de Oudenberg uit Geraardsbergen, beter gekend als ´de Muur´. Herman Brusselmans is de volkse versie van James Joyce. Hij breit een literaire taal zonder elitaire flou. Is dat duidelijk? 

En dat allemaal weet je over zijn 75ste boek, hoewel je nog maar halverwege zit? riep mijn zuster met overslaande stem uit. Ja, antwoordde ik, dat wist ik al na één hoofdstuk en op bladzijde 419, waar het achtste aan zijn einde komt, wist ik het heel zeker. Mijn zuster vroeg toen of ik de tweede helft op de terugreis zou lezen. Ja, antwoordde ik. Want vannacht ga ik een beschouwing schrijven. In de stijl van Herman Brusselmans. Wat ook is gebeurd, zoals mijn beminde zuster en de goede lezer – de mannelijke als de vrouwelijke, de ijzeren als de houten, kan zien. Hij schreef te weinig boeken ruikt naar de Kapellekensbaan van Louis-Paul Boon en smaakt naar Voyage au bout de la nuit van Louis-Ferdinand Céline. Het slot laat daar geen twijfel over bestaan. Het slot is geen pot ajuinsoep die drie weken in een vochtige kelder heeft gestaan. Het slot is grand cru, chateau Pétrus.
Chapeau, Herman, chapeau. 

guido lauwaert
gent, 2017-09-30 

HIJ SCHREEF TE WEINIG BOEKEN  

Herman Brusselmans – Prometheus Amsterdam -
ISBN: 9789044633757 - € 24,99 

Omslagontwerp Kris Demey 



Geen opmerkingen:

Een reactie posten