Posts tonen met het label WILLEM ELSSCHOT. Alle posts tonen
Posts tonen met het label WILLEM ELSSCHOT. Alle posts tonen

vrijdag 18 november 2016

LEGE BLOKKEN – aflevering II






Het artikel LEGE BLOKKEN heeft heel wat reacties opgeleverd. Waardoor zelfs uw kroniekkeur wijzer geworden is. Onder meer op het gebied van de hond. Een Vlaamse lezer wees me op het bestaan van een hondenras, gefokt uit de vermenging van verschillende rassen. Het nieuw soort hond, voor het eerst voorgesteld op een hondenshow in 1870, werd genoemd naar zijn kweker, de Nederlander Eduard Korthals. Ziehier een foto van, naar het zich laat aanzien, verre verwant van de legendarische magiër en medicus Johann Faust: 

Eduard Korthals 
De Griffon Korthals is een vastberaden werker en een uitstekende zwemmer. Hij is prima geschikt om in ruig terrein te werken. De bijzondere vacht beschermt hem tegen alle weersomstandigheden. Hij is een veelzijdige jachthond, van aard trouw, aanhankelijk en kameraadschappelijk, prettig van karakter, speels, waardoor hij zeer geliefd is bij kinderen. 

Een Nederlandse lezer wees me dan weer op iets wat ik wist, maar voegde er een extraatje aan toe, wat ik niet wist.
Namelijk het bestaan van twee politici in Nederland met de naam Korthals. De tweede, en mij bekende, is Frederik [Frits] Korthals Altes [1931]. Zijn werkzaam leven begonnen als advocaat klom hij vrij snel op tot prominent lid van de VVD [Volkspartij voor Vrijheid en Democratie]. Hij was minister, regeringsformateur en werd in 2002 door koningin Beatrix benoemd tot Minister van Staat. Ziehier een foto: 

Frits Korthals Altes 
Wat ik niet wist, maar onrechtstreeks door BLOKKEN nu wel weet, is dat er nog een tweede Nederlandse minister met de naam Korthals is geweest. Namelijk Hendrik Albertus [Henk] Korthals [1911-1976]. Ziehier een foto: 

Henk Korthals 
Van 1945 tot 1959 zat hij in de Tweede Kamer [België > Kamer van Volksvertegenwoordigers], eerst voor de Liberale Staatspartij, waarvan de naam in 1946 gewijzigd werd in Partij van de Vrijheid [PvdV] en in 1948 in VVD. Hij was een groot voorstander van een Europese Gemeenschap, minister en bracht het zelfs tot vicepremier. Door een opdoemend politiek schandaal van mineure kwaliteit trok hij zich in 1963 terug uit de politiek en bracht de rest van zijn leven door in familiekring, waartoe behoorde een poes met de naam Baruch en een hond, genaamd Griffon. Ziehier een foto: 

Griffon Korthals 
Beide politici hebben een vruchtbare loopbaan achter de rug. Niet alleen op politiek maar ook op familievlak. Ze hebben heel wat kinderen gehad, overwegend zonen, en zij en hun nakomelingen moeten dus ook de naam Korthals hebben. Zo zeldzaam is de naam Korthals dus niet dat hij iedereen uit het blokkenveld perplex doet staan als boer Vermeulen bij de aanblik van zijn doorweekte en gesneuvelde vlaschaard. 

Dat de naam Korthals in de roman Lijmen opduikt is niet verwonderlijk. Stortte Alfons de Ridder zich voor zijn beroep van advertentiecolporteur op de Vlaamse markt, als de schrijver Willem Elsschot mikte hij op de Nederlandse. Vandaar dat in de roman Kaas de opslagplaats van de twintig ton kaas Blauwhoedenveem heet, en Frans Laarmans [= Willem Elsschot] wil de kelders met eigen ogen zien. Ik citeer: ‘Ik wil er mij van overtuigen dat mijn kaas er veilig, frisch en ongestoord rusten zal, vrij van regen en ratten, als in een familiegraf.’ 

Wijlen compagnon de route en zwaar gemiste Johan Anthierens [1937-2000] wees al in zijn boek Het Ridderspoor [1992] op de keuze van Blauwhoedenveen als kaasopslagplaats, en dit in functie van de Nederlandse literaire afzetmarkt. Ziehier een foto: 

Johan Anthierens 
Surplus: Kon Karel Anthierens goed overweg met de rode pen, ter opsporing van taalfouten, schrapping van nutteloze uitweidingen en het rechttrekken van kromme zinnen… Johan wist ook van de rode pen, maar bij hem zat die in de top van zijn wijsvinger. Hij kon een fout op zo'n manier aanwijzen dat het schaamrood uit al je poriën bloedde. 
Terwijl hij zelf niet foutloos kon schrijven. Althans, aanvankelijk. Het was Frans Verleyen die in zijn stukken de fouten opspoorde en… zijn broer Karel. 

Dit stuk wordt u aangeboden wegens de vele heerlijke reacties van lezers, zelfs eentje van Ben Crabbé, die echter minder opgetogen is. Dat soort van humor gaat blijkbaar zijn petje te boven. Nochtans was de eerste aflevering van LEGE BLOKKEN enkel ter lering en vermaak geschreven. 

guido lauwaert
gent, 2016-11-18



donderdag 17 november 2016

LEGE BLOKKEN



Ben Crabbé 


De week begon niet al te best. In de voormiddag een kritische beschouwing geschreven over de tentoonstelling Op zoek naar Utopia in het Museum M. Dat doolhof is gelegen in Leuven, een C&A-stad zoals Nederland er ook een heeft, Utrecht om precies te zijn. ’s Middags verder gelezen in Sneeuw van Orhan Pamuk, een saaie roman, maar Luk Perceval regisseert een toneelbewerking en die productie start zaterdag a.s. Een criticus moet beslagen ten ijs komen, nietwaar, of hij zakt er door.
De avond was nog maar opgedaagd of Karel Anthierens belde – de man die mij leerde schrijven. Er moest hem iets van het hart en zonder te vragen of ik dat dan op mijn hart wilde, begon hij aan een jeremiade over Blokken, het televisieprogramma van Ben Crabbé. 

Karel Anthierens 
Geef toe, een maandag heeft een al niet te goede naam, hij kan dan toch zijn best doen om naast het negatieve met iets leuks voor de dag te komen, dat moet toch niet zo moeilijk zijn. Karel mag mij dag en nacht bellen, daar gaat het dus niet om. Waar het om gaat is dat hij zich heeft geërgerd aan de beperkte geestelijke ontwikkeling van Ben Crabbé. Precies dat is de bekende druppel.  
Ikzelf weet al geruime tijd dat een extra laag verstand bij Ben Crabbé zelfs na drie dozijn martelingen niet te achterhalen is. Niet dat hij duizend martelingen aan kan zonder een krimp te geven, maar als er niets te bekennen valt, wat valt er dan te bekennen? Een leugen om aan een verdere marteling te ontsnappen helpt niet. Heeft een beul ook maar het minste vermoeden van een leugen om bestwil, begint hij meteen aan een marteling haute couture, al zingend Eenzaam zonder jou, van Will Tura. – Goed, lang genoeg vertoefd in de martelkamer. 

‘Guido, waarde vriend, stoor ik niet?’ 
Ik lag juist vreemd te gaan en hij stoorde dus, maar beken je dat aan de leermeester die je een liberale beschaving heeft bijgebracht?
‘Spreek maître.’
‘Zonet heb ik gekeken naar Blokken. Het is mij niet om Ben Crabbé te doen. Hij heeft me lang geleden gevraagd hem te wijzen op taalfouten, maar op die vraag ben ik niet ingegaan, want ik wist toen al dat het niet eindigt. Het gaat mij om de weetjes. Ze zijn goed om je geheugen alert te houden. De flauwe moppen van Crabbé moet je er bijnemen en het ergste is als hij begint te zingen. Maar goed. Vanavond was er een nieuwe kandidaat. Hij woont in de Scheldestad en dat was er duidelijk aan te horen. Guido, een vérrr-schrik-ke-lijk Nederlands. Zelfs zijn Antwerps dialect was van een schabouwelijke kwaliteit. Het allerergste was echter, en ik zakte haast door mijn luie stoel, toen Ben Crabbé als naar gewoonte de naam noemde van de kandidaat en met een gespeelde verbaasde blik zei dat het een naam was die hij nog nooit had gehoord: Korthals. Hij vroeg de man of hij enig idee had waar de naam vandaag kwam en wat hij betekende. De kerel moest bekennen dat hij het niet wist. Waarop Ben Crabbé zich naar de jury richtte. Helaas, ook de eeuwig onzichtbare man bleef het antwoord schuldig. Met aarzelende, haast fluisterende stem, zei hij: “Komt van… korte hals”. 
Annie, om mij weer tot rust te brengen, snelde toe met een Pimm’s, hoewel ik al jaren geen druppel alcohol meer drink. Wat een schande dacht ik. Is er dan niemand daar die weet dat de begrafenisondernemer uit de roman Lijmen van Willem Elsschot Korthals heet! De man van de Korthals XIV en de Korthals XV, nietwaar?’ 
‘Chassis Renault!’ riep ik uit en Karel sloeg in een deuk.
En om de laatste kreuk in zijn humeur weer glad te strijken citeerde ik verder: ‘”De veertien is gebouwd voor ’t vervoer van lijken van stad naar stad, en de vijftien voor het overbrengen van zieken. Zij werden gewogen, mijnheer, en moesten op een vrachtbrief, tot eindelijk onze veertien aan die gruwel een einde heeft gemaakt.”’
‘Juist!’ riep Karel uit. ‘De bedrieger die opgelicht wordt door opperschurk Karel Boorman! De man heeft maar één wagen die hij met wat schminkwerk klaarmaakt voor de klant, een lijk of een halflijk, zoals Elsschot het uitdrukt. De roman is verfilmd door Robbe de Hert, en nog niet eens zo slecht ook. Met Koen de Bouw, Mike Verdrengh, Sylvia Kristel en Willeke van Ammelrooy. Zelfs Tom Lenaerts neemt een rol op zich. Allemaal vrienden van Ben Crabbé. Loopt die man zijn hoofd leeg?’ 

Voor de duidelijkheid. De, mijns inziens, meest duivelse roman van Elsschot gaat over het werven van klanten voor het Algemeen Wereldtijdschrift voor Financiën, Handel, Nijverheid, Kunsten en Wetenschappen. Het tijdschrift verschijnt slechts nadat Boorman voldoende winkeliers, zuster oversten, bedrijfsleiders, bankiers zover heeft gekregen dat zij instemmen met een uitvoerige beschrijving van hun zaak en een aantal extra exemplaren waarin het artikel is opgenomen afnemen om naar hun relaties te sturen, of om kandidaat klanten te wijzen op het feit dat hun ‘activiteiten’ uitvoerig in een gerenommeerd blad zijn verschenen. In werkelijkheid bestaat de oplage enkel uit… en nu schakel ik weer over naar de roman en Karel Boorman: “Eens zijn er tweehonderdvijftigduizend exemplaren geweest, indien Lipton ze allemaal verzonden heeft, wat ik betwijfel. Maar het kan, want die Engelsen zijn tot alles in staat. Er waren precies geteld tweehonderdvijftigduizend vijfentwintig exemplaren, waarvan vijfentwintig voor mijn eigen gebruik.” 

Dat ‘eigen gebruik’ is om tevoorschijn te halen als advocaten opdagen in een poging om ‘de bestelling’ ongedaan te maken. Wat niet lukt, want, nogmaals Boorman [zich richtend tot zo'n advocaat]: “Ik ben koopman in bedrukt papier, waarvan mij een zekere hoeveelheid in brochurevorm door uw cliënte besteld is en die zij betalen moeten. Zij zal be-ta-len, mijnheer, tot de laatste cent. … En jaag die mensen nu niet op kosten, met processen en zo, want hun bestelling is op zichzelf al erg genoeg.” 

We keuvelden nog wat verder, als ouderen die zich nooit bevrijd hebben van hun jongenshumor, klaagden tegen elkaar op over de dalende historische en literaire kennis van de jeugd, en namen afscheid. 
‘Karel,’ besloot ik. ‘Ik zal trachten over ons gesprek n.a.v. dat dramatisch voorval, een stuk te schrijven. Voor jou, voor Elsschot, voor mezelf – uiteraard, en kom, ook voor Ben Crabbé, want al valt er heel wat te lijmen aan de lege blokken van zijn geheugen, hij is wel an honourable man. 

guido lauwaert

Flauwe grappen van Ben Crabbé
[Opgelet! 24 minuten!] 


vrijdag 21 oktober 2016

HET VERDWAALDE PORTRET






De belangrijkste verzamelaar van het werk en parafernalia van Willem Elsschot / Alfons De Ridder is de Nederlander Thijs Wierema. Hij is  bestuurslid van het WEG [Willem Elsschot Genootschap] en redacteur van het literaire tijdschrift De Parelduiker. 
  
Het eerste kroonjuweel kocht Wierema enkele jaren geleden. Het was het tweede van tien luxe-exemplaren van Villa des Roses. Elsschot had het geschonken aan Anna Christina van der Tak, een collega op de Schiedamse werf Gusto, waar hij onder zijn officiële naam werkte van 1908 tot 1913. Was het boek al opgedragen aan de voormalige schooljuffrouw - zij had 'meneer De Ridder' aangespoord de mafte verhalen uit het Parijse pension op te schrijven en in een heus boek te gieten - in het luxe-exemplaar heeft Elsschot de opdracht iets uitvoeriger en in handschrift overgedaan. Het is tevens het enige gedrukte exemplaar met handcorrecties.  

Onlangs kocht hij een tweede zeer waardevol stuk. Eenmaal in zijn bezit, belde hij me. Drie dagen later zaten we tegenover elkaar. Het gesprek en de onthulling is een documentaire geworden die bij deze voor het eerst vertoond wordt. 

De documentaire wordt gevolgd door een kort essay, een zoveelste poging greep te krijgen op de mens Alfons de Ridder en de auteur Willem Elsschot.











MET WILLEM ELSSCHOT BEN JE NOOIT KLAAR 




Al ken je de 11 romans en het Verzameld Dichtwerk van Willem Elsschot, geboren Alfons De Ridder, uit het hoofd, ze uitspit zoals Chief Inspector Morse zich vastbeet in een zaak, ze blijven voor verrassingen zorgen. Het is zulk helder proza dat je denkt… alles is gezegd… maar wie blijft spitten en herlezen ontdekt dat elke zin een been van het gebeente van de grote lijmer is. Hij heeft zijn werken echter zo gecomponeerd dat alle beenderen verspreid liggen, waardoor het puzzelen wordt om het geraamte te vormen. 

Sommige onderdelen hebben hun plaats gevonden, waardoor je merkt dat het verder puzzelen met elk nieuw been[tje] waar je een plaats voor zoekt, ingewikkelder wordt. Eén ding is echter duidelijk: Van zijn eerste gedicht, De zee [1902], tot het laatste, Borms [1947], van zijn eerste roman, Villa des Roses [1910] tot zijn laatste, Het dwaallicht [1944], samen vormen ze een autobiografie. Elk gedicht, elk verhaal lijkt anekdotisch; ze zitten echter zo geraffineerd in elkaar, dat het geheel in wezen de evolutie van zijn psychologische karakter blijkt te zijn. In het eerste boek heb je Elsschot als de jonge man, in Kaas, de volwassene, en in het laatste de ouderling die nog eens snakt naar een laatste amoureuze passie. Als de wens verdwaalt, reageert het hoofdpersonage [de auteur] vrij gepikeerd, zoals dat bij veel mensen de gewoonte is. Hij probeert de grief te onderdrukken vanuit een hogere beschaafdheid, maar de lucht blijft zuur: 'Nu vooral niet gaan kniezen en niet mee naar Bombay, niet meer op zoek naar het nestje van Fathma, maar gauw weer naar huis met mijn krant om weer plaats te nemen in den kring van die waar ik aangebonden ben en die mij vervelen, onuitsprekelijk.' 

Zoekend naar een opening om toch enigszins zicht te krijgen op een geraamte, ben ik uiteindelijk blijven hangen bij het Engelstalige vers aan het slot van Het dwaallicht. Wat staat het daar te doen? Het slaat op de Indiëvaarders, Ali en zijn kompanen, als een tang op een varken. In wezen, zo lijkt me, is het vers niets anders dan een afscheid van de literatuur en van een actief leven. Elsschot is nog wel aan een nieuwe roman begonnen [1946-1947], zo bleek uit de geruchten, maar heeft ooit iemand daar notities over, kladwerk van gezien? Het enige wat hij nog schreef en publiceerde was het gedicht Borms. Een literaire creatie? Ik denk het niet. Het was gewoon een soort van ‘ingezonden brief in versvorm’, waarin hij het niet opneemt voor August Borms en zijn gedachtengoed, maar omdat je niemand van die leeftijd en kreupel fusilleert. Het is een inhumane daad.
Nee, met het vers neemt hij, zoals hoger aangegeven, afscheid van de literatuur en zijn actief leven, maar ook… van zijn lezers. Zijn versie van het vers klinkt als volgt: 

Adieu, adieu,
I can no longer stay with you,
I hang my harp on a weeping willow-tree
and may the world go well with thee. 

 De oorspronkelijke versie daarentegen luidt enigszins anders: 

Adieu, adieu kind friends, adieu, yes, adieu,
I can no longer stay with you, stay with you,
I'll hang my harp on the weeping willow tree,
And may the world go well with thee. 

Het is het tweede vers van het lied, There Is a Tavern in the Town, dat al eind van de 19de eeuw bekend stond als het collegelied van het Trinity University College. De studenten zongen het aan het slot van hun feesten, en oorspronkelijk als afscheid van hun studententijd. 
Maar de oorspronkelijke versie was voor Elsschot te helder, te doorzichtig. Hij wijzigde het zo dat het een hoge mate van raadselachtigheid had. 

Villa des Roses mag dan Elsschots eerste boek zijn, zijn ‘echte’ eerste boek is Een ontgoocheling [1913], kort daarop gevolgd door De verlossing [1914-1915]. Samen vormen ze een tweeluik, wegens de tijd waarin het zich afspeelt, de studentenjaren van Elsschot.
Een ontgoocheling vond Elsschot niet zijn beste werk maar wel zijn ‘liefste’, want gevraagd naar het boek van zijn voorkeur, gaf hij enkele titels op, om, eenmaal klaar, er nog een p.s. aan toe te voegen: ‘Voor Een ontgoocheling heb ik een grote liefde omdat het een stuk uit mijn leven is.’ Met die verklaring licht hij al een tipje op van het feit dat al zijn werk autobiografisch is. 

Zo bekeken kan niet anders dan besloten worden dat het opnemen van het vers van het studentenlied een slotakkoord is, een afscheidsgroet.
Wat ik hierboven heb geschreven is een forensisch verslag, als opsporing naar de diepere betekenis van het literair werk van Willem Elsschot. Om zijn privébestaan gescheiden te houden van zijn literair leven heeft Alfons De Ridder heel wat schuilnamen verzonnen, te beginnen met zijn artiestennaam, voldoende bekend. Maar ook de namen van de hoofdpersonages uit de boeken zijn manoeuvres om de lezer buiten de deur te houden: Richard Grünewald, Kareltje De Keizer, Frits Van Hemeldonck, om uiteindelijk te blijven plakken bij Frans Laarmans, al zit er in Alfons De Ridder ook heel wat van opperschurk Karel Boorman. 

Willem Elsschot en de andere namen vormen de omlijsting van Alfons De Ridder, een reclameman maar in wezen een advertentie-colporteur, zoals we die ook kennen uit Ulysses van James Joyce, Leopold Bloom. Ook bewegend in de reclamewereld hield Alfons De Ridder privé en beroep strikt gescheiden, zoals blijkt bij nauwkeurige lezing van zijn zakenbrieven. Door die scheiding extreem aan te houden - maar omdat er elastische diagonalen lopen tussen de auteur, de zakenman en de familieman, zoveel dat ze een kluwen vormen - ben je nooit klaar met Willem Elsschot. 

guido lauwaert